14-18, is de eerste "industriële" oorlog. Nieuwe ontdekkingen brachten een revolutie teweeg en door de enorme vooruitgang van de fysica en de scheikunde konden nieuwe wapens op punt gesteld worden. De Duitsers gebruikten voor de eerste keer gifgas in april 1915 in Ieper. Vandaar de naam van het gas: "yperiet" of mosterdgas. Dit wordt bewaard in containers die worden geopend als de wind in de richting van de vijand blaast. De techniek is niet erg betrouwbaar want als de wind draait kan het gif bij de verkeerde partij terechtkomen. Het Duitse leger bewaarde dan het gas in obussen. Vanaf 1916 wordt oorlogsgas veralgemeend gebruikt op alle slagvelden. Ter bescherming hebben de oorlogvoerende partijen de eerste gasmaskers op punt gezet.
De eerste tanks verschijnen in 1916 en ze zijn van Engelse makelij. Ze zijn zwaar, zeer traag, slecht wendbaar dus kwetsbaar en ze worden voor het eerst gebruikt bij de slag om de Somme.
De luchtvaart is nog maar pas uitgevonden maar ze wordt al gebruikt door de militairen. Aanvankelijk voeren de piloten vooral verkenningsvluchten uit, nadien vinden er echte luchtgevechten plaats. Sommige piloten waren echte "cracks", zoals de Fransman Georges Guynemer en zijn escadrille de Cigognes, of de Duitser Manfred von Richthofen, de Rode Baron.
De Duitsers gebruikten vanaf 1914 vlammenwerpers, die terreur zaaiden in het vijandige kamp, maar ze waren ook gevaarlijk voor wie ze bediende wegens het ontploffingsgevaar van de gasfles. Het Lebel-geweer dat werd gebruikt door het Franse leger kon worden uitgerust met een bajonet, de Rosalie genaamd omdat het vierhoekig lemmet een mooi roosje in de tegenstander maakte. In de aanvalsoorlogen werd het een gevreesd wapen. Bij de Slag der Grenzen gebruikte het Duitse leger massaal het machinegeweer dat ongeveer 600 schoten kon lossen per minuut en dat verder reikte dan een gewoon geweer.
De eerste operationele onderzeeërs dateerden van in het begin van de eeuw. De Duitse "Kriegsmarine" gebruikte ze om de boten van de geallieerden te kelderen. De "U-Boten" lanceren torpedo's onder water en schoten met kanonnen aan de oppervlakte.
De "Grosse Bertha", van het staalconcern Krupp, is een van de bekendste wapens van de artillerie van de Grote Oorlog. Het wapen had een ongekend groot kaliber van 420 mm en drong door drie meter gewapend beton. Het kanon van 75 mm, een model uit 1897 dat zeer wendbaar en nauwkeurig was, is een pronkstuk van het Franse leger ook al is het minder doeltreffend in de loopgraven. Door de sterke stijging van de productie van obussen daalt de kwaliteit met vele ongevallen tot gevolg. De militaire staf beslist dan ook om deze artillerie slechts als laatste redmiddel in te zetten.